waterschapsbestuurder_logo.gif (12 Kb)
Ga direct naar het hoofdmenu of de inhoud.
Homepage > Project Water zoekt Vrouw > Onderzoek Waterschap zoekt Vrouw

Bachelorscriptie Ellis Bulk

Ellis Bulk heeft haar bachelorscriptie over vrouwen in waterschapsbesturen Bestuurskunde afgerond aan de Universiteit van Leiden.  Voor dit onderzoek heeft ze een aantal ‘Waterlelies’ geinterviewd.  Ellis: "Het aantal vrouwen in waterschapsbesturen is laag en ik wilde graag onderzoeken waarom dit zo is. De keuze voor dit onderwerp stamt uit de periode dat ik stage liep bij het Hoogheemraadschap van Rijnland." 

Hier kun je de hele scriptie van Ellis lezen:

bestuurgrootsalland
          
                                          Algemeen bestuur waterschap Groot Salland in vergadering (2009).

Waterschap zoekt vrouw

Bachelorthesis over de oorzaak van het lage aantal vrouwen in waterschapsbesturen

1 Inleiding

1.1 Casus

Tijdens een stage bij het Hoogheemraadschap van Rijnland viel het op dat bij dit waterschap bijzonder weinig vrouwen werken. Van een collega begreep ik dat dit gebrek aan representativiteit niet alleen geldt voor het Hoogheemraadschap van Rijnland, maar voor alle waterschappen. Met name in de waterschapsbesturen is het aantal vrouwen zeer laag. Zo laag dat er zelfs een vereniging is die de participatie van vrouwen in waterschapsbesturen wil verhogen: de Waterlelie[1].Het netwerk Waterlelie heeft dan ook onderzoek uitgevoerd naar deze lage aantallen vrouwen in waterschapsbesturen. In samenwerking met de Nederlandse Vrouwen Raad, centrum Vrouw en Milieu, PJ Partners, Vrouwenplatform Carree, Provinciale Vrouwenraad Noord-Brabant, Platform Zeeuwse Vrouwen Raad en de Limburgse Vrouwen Raad is een project gestart genaamd ‘Water zoekt Vrouw’[2]. Dit project is in 2008 opgericht om te zorgen dat het percentage vrouwelijke bestuursleden (dat in 2006 slechts 12% was) verhoogd werd naar minimaal 30% in 2009. Dit streven was in lijn met de mening van het kabinet. De bedoeling van de organisaties was om gebruik te maken van de waterschapsverkiezingen om het doel te bereiken.[3] In januari 2008 (voor de waterschapsverkiezingen van 2008) was het percentage vrouwen in de Algemeen Besturen van de waterschappen 18.5% (zie Figuur 1). Uit gegevens van 2010 (van na de waterschapsverkiezingen 2008) blijkt dat het percentage vrouwen in de Algemeen Besturen van de waterschappen nog steeds 18.5% is (zie Figuur 2). Kortom, het project ‘Water zoekt Vrouw’ heeft (nog) niet het gewenste doel bereikt.

1.2 Probleemstelling

Waarschijnlijk zijn er meerdere oorzaken voor het falen van ‘Water zoekt Vrouw’. Één oorzaak kan zijn dat er niet genoeg bekend is over de achtergronden van de situatie. Voordat we gaan proberen de situatie in de waterschapsbesturen te veranderen moeten we ons in Nederland afvragen of deze plannen wel wenselijk zijn. De vraag is wat de oorzaken zijn van de lage aantallen vrouwen. Het doel van het onderzoek is om inzicht te krijgen in de achtergronden door een antwoord te vinden op de vraag: waarom zijn er zo weinig vrouwen in de waterschapsbesturen? Een antwoord op deze vraag vinden is niet eenvoudig. Een deelvraag die kan helpen bij de beantwoording is: welke barrière hebben vrouwen in waterschapsbesturen moeten overwinnen om op die positie te komen? Aan de hand van deze vraag valt te achterhalen of er bepaalde barrières bestaan en of die barrières de oorzaken zijn van het lage aantal vrouwen in waterschapsbesturen. De generalisering naar vrouwen in het algemeen kan gemaakt worden omdat de vrouwelijke waterschapsbestuurders niet significant verschillen van vrouwen die daar niet in zitten. Er zijn wel genoeg mannen in waterschapsbesturen, hieruit blijkt dat het dus niet om een zeldzame eigenschap gaat die waterschapsbestuurders onderscheid van anderen. Het verschil is echt te vinden in het verschil tussen mannen en vrouwen in het algemeen.

 

1.3 Theorie

1.3.1 De rationele keuze benadering

Bij dit onderzoek is het uitgangspunt om de barrière te vinden die vrouwen beperkt in de beslissing om al dan niet een waterschapsbestuur te versterken. Sanders (1996: 286-295) heeft een theorie ontwikkeld die het sociale verschijnsel van sekseverschillen op de arbeidsmarkt kan verklaren. Deze sekseverschillen kunnen misschien ook een verklaring bieden voor het lage aantal vrouwen in de waterschapsbesturen en het verschil hierin met mannen. Een omschrijving van de theorie van Sanders (1996: 286-289) is dat de rationele keuze benadering gebruikt wordt om verschillen tussen mannen en vrouwen in het werkzame leven te verklaren. De rationele keuze benadering is een mix van economische en sociologische benaderingen en kan deze verschillen in arbeidsverdeling verklaren. Maar wat houdt de rationele keuze benadering precies in? De kern van de benadering is dat individuen doelen nastreven, maar dat ze door allerlei beperkingen gedwongen worden om keuzes te maken. De sociale verschijnselen die ontstaan, zijn gevolgen van de keuzes die de individuen maken (Ibid: 287-289). Een voorbeeld van een dergelijk sociaal verschijnsel kan het lage aantal vrouwen in waterschapsbesturen zijn. Deze benadering kan wellicht verklaren waarom vrouwen zich als individu beperkt voelen om te kiezen voor een functie in een waterschapsbestuur. Het op deze manier gebruiken van de rationele keuze benadering brengt echter wel problemen met zich mee. Brouns (1996: 284) noemt een aantal van deze problemen. Ten eerste is het de vraag in hoeverre een keuze bepalend is voor het terechtkomen op een bepaalde positie. Ook is het moeilijk om te bepalen wat precies rationeel handelen is. Fischer (1996: 298) merkt op dat het nog maar de vraag is of gevoel per definitie niet rationeel is. Kuiper en Van Velzen (1996: 404) concluderen dat een keuze sterk afhankelijk is van de context en dat die context ook geanalyseerd zou moeten worden voor een juiste verklaring. Om een antwoord te vinden op de onderzoeksvraag, moet onderzocht worden of de respondenten echt bewuste keuzes gemaakt hebben en of gevoel hier een rol bij speelde. Kortom, het gebruik van de rationele keuze benadering roept veel vragen op. Sanders (1996: 286-295) gaat in haar werk aan deze problemen voorbij. Daarom zijn de hierboven genoemde problemen op te vatten als kanttekeningen op haar theorie. Het is dus de vraag in hoeverre haar theorie verklarend gebruikt kan worden. Een aanvulling dat misschien een aantal van de kritieken kan wegnemen, komt van Turkenburg (1996: 309-312). Zij meent dat bij de rationele keuze benadering het mensbeeld niet realistisch is. Volgens haar is de oplossing het idee van bounded rationality. Deze term komt van Simon (1997: 118-119), hij geeft hiermee aan dat het in de echte wereld onmogelijk is om overal rekening mee te houden bij het maken van een keuze. Alleen bepaalde factoren worden meegewogen, de oorzaak hiervan is dat mensen begrensd zijn in het aantal factoren waar ze aandacht voor kunnen hebben. Wat betreft het verklaren van sekseverschillen betekent bounded rationality dat vrouwen bij hun keuze niet te maken hebben met een echte begrenzing, maar dat ze het als een waarde zien om (voltijds) voor hun gezin te zorgen. In dat geval worden vrouwen dus niet beperkt door de omgeving, maar door hun eigen gedachten (Turkenburg, 1996: 309-312). Ook het kiezen voor een plek in een waterschapsbestuur kan dus voor een vrouw bemoeilijkt worden door de eigen gedachten en waarden die zij heeft.

1.3.2 Aannames rationele keuze benadering

De rationele keuze benadering bestaat uit een aantal assumpties. De eerste aanname is dat aan de rationele keuze benadering de constraint driven-heuristiek ten grondslag ligt. Dit betekent dat individuen verschillende keuzes maken, omdat zij te maken hebben met verschillende beperkingen en verschillende bronnen van hulp. Vanuit de economische invalshoek zijn belangrijke beperkingen geld en vrij besteedbare tijd. Vanuit sociologisch perspectief zijn beperkingen eerder sociale normen, ofwel de normatieve context (Sanders, 1996: 287-289). Hierbij zijn een aantal aanvullingen te vinden. Brouns schrijft in deze context: “In feite … is dan het hele normale leven een restrictie” (Brouns, 1996: 284). Als het hele leven een beperking kan zijn, dan zijn beperkingen niet meer zo veelzeggend en kunnen ze dus geen ongelijkheden meer verklaren. Een andere kanttekening is dat psychologische factoren in dit idee niet meegenomen worden (Fischer, 1996: 296). Een tweede assumptie van de rationele keuze benadering is dat alle individuen algemene doelen willen bereiken. Het eerste algemene doel is fysiek welzijn. De instrumentele doelen van fysiek welzijn zijn: stimulatie, comfort, inkomen en vrij besteedbare tijd (Sanders, 1996: 287-289). Het tweede algemene doel is sociale waardering. De instrumentele doelen om dit hoofddoel te behalen zijn: status, gedragsbevestiging en affectie. Status kan uitgelegd worden als maatschappelijk aanzien. Dit maatschappelijk aanzien kan in meer of mindere mate verkregen worden door het verkrijgen van een schaars goed. Gedragsbevestiging houdt in dat anderen, van wie de meningen voor het desbetreffende individu van belang zijn, vinden dat het individu juist handelt. Affectie kan worden uitgelegd als genegenheid van anderen die belangrijk zijn voor het individu. Status, gedragsbevestiging en affectie kunnen elkaar vervangen. Omdat status niet voor iedereen haalbaar is (in tegenstelling tot gedragsbevestiging en affectie) kan geconcludeerd worden dat individuen die veel moeite moeten doen om status te verkrijgen, sneller kiezen voor het verkrijgen van gedragsbevestiging en affectie dan individuen die eenvoudiger status kunnen verwerven (Ibid.). Het verkrijgen van gedragsbevestiging en affectie is immers eenvoudiger dan het verkrijgen van toegang tot schaarse goederen, die nodig zijn om status te verwerven. Als deze theorie van toepassing is, dan zou dat in deze casus betekenen dat vrouwen sociale waardering proberen te bereiken door het streven naar affectie en gedragsbevestiging en niet naar status.

1.3.3 Normatieve context

Kortom, individuen streven naar fysiek welzijn en sociale waardering. Dit komt tot uiting in hun keuzes. Één van de instrumentele doelen die horen bij sociale waardering is gedragsbevestiging. Bij gedragsbevestiging is de normatieve context van groot belang. De veronderstelling is dat handelen dat gewaardeerd wordt door de sociale omgeving leidt tot beloning en dat handelen dat afwijkt van de sociale normen tot bestraffing leidt (Sanders, 1996: 289-291). Maar de normatieve context bestaat niet alleen uit de verwachtingen van de sociale omgeving. Ook de normatieve bagage speelt een rol. Met de normatieve bagage wordt bedoeld het geheel aan normen en waarden dat individuen door hun opvoeding meekrijgen. De normatieve context kan, naast geld en tijd, een beperking (of een hulpbron) zijn bij belangrijke keuzes die individuen maken (Ibid.). Dit zou dan ook moeten gelden voor de keuze om wel of niet een waterschapsbestuur in te gaan. Een term die vergelijkbaar is met, maar niet helemaal hetzelfde is als de normatieve context is ‘rolverplichting’. Rolverplichtingen zijn verplichtingen waar een persoon aan moet voldoen bij het vervullen van een bepaalde rol. Deze verplichtingen zijn niet eenvoudig te verzetten (Bekker, 1995: 403). Als een vrouw gelijktijdig twee rollen vervult, bijvoorbeeld die van moeder en die van bestuurder, dan is zij door die rolverplichtingen weinig flexibel. Dit idee wordt uitgewerkt met de term work-family strains, spanningen die ontstaan uit de combinatie van werken en het verzorgen / opvoeden van kinderen. De objectieve kant hiervan is spillover stress, dus wanneer bijvoorbeeld een werkdag afgezegd moet worden vanwege een ziek kind. Spillover strain is de subjectieve spanning wanneer de zorgen van één van beide zaken (werk of thuis) in elkaar over gaan lopen (Ibid: 406-407). Dit kan betekenen dat vrouwen kiezen voor een weg die minder spanningen met zich meebrengt, dit houdt in dat ze vaker thuis zullen blijven voor hun gezin.

1.3.4 Overige oorzaken

Maar buiten de hierboven genoemde oorzaken, moet ook nog rekening gehouden worden met de instrumentele doelen van fysiek welzijn. Het inkomen moet wel hoog genoeg zijn om de kinderopvang te betalen, en er moet ook genoeg vrij besteedbare tijd overblijven. Ook het gebrek aan een bijdrage van de partner aan het huishouden of de verzorging van de kinderen kan een beperking zijn (Bekker, 1995: 409). Van Oosten (1997: 273-275) meent dat mannen in verwarring zijn over de rol die zij moeten vervullen. Hij geeft aan dat mannen niet meer weten wat er van hen verwacht wordt. Misschien is de oorzaak niet dat mannen niet meer zorgtaken over zouden willen nemen, maar dat zij niet weten wat hun partner wil. Vrouwen hebben hierdoor minder tijd over voor andere dingen, zoals bestuursfuncties. Een volgende belangrijke aanvulling op de theorie van Sanders (1996: 286-295) over de normatieve context is dat vrouwen niet gelijk zijn. Dit zou belangrijk kunnen zijn, het waterschap is geen organisatie waar iedereen in Nederland evenveel binding mee heeft. Er zijn bepaalde groepen in de bevolking die er meer mee te maken hebben. Van oudsher heeft bijvoorbeeld de landbouw veel gebruikersbelangen bij de waterschappen (Glasbergen, 1993: 133). Misschien is het zo dat vrouwen die gebonden zijn aan de landbouwsector, ook meer binding hebben met het waterschap. Het verschil tussen vrouwen wordt ook door Aerts en Saharso naar voren gebracht: “Dientengevolge bestaan wij in deze structuren van sociale verhoudingen niet simpelweg als vrouwen, maar als arbeidersvrouwen, boerenvrouwen of migrantenvrouwen” (1994: 16). Het verschil tussen mannen en vrouwen moet genuanceerd worden door rekening te houden met de verschillen tussen vrouwen onderling.

1.4 Opbouw van het onderzoek

Het doel van dit onderzoek is om te bestuderen of de normatieve context inderdaad een barrière is geweest voor vrouwen in het waterschapsbestuur. Dit gaan we doen met behulp van de antwoorden op de deelvraag: welke barrière hebben vrouwen in waterschapsbesturen moeten overwinnen om op die positie te komen? De theorie van Sanders (1996: 286-295) en de aanvullingen hierop vormen de leidraad voor onderzoek. Een eerste stap in dit onderzoek is het houden van interviews met vrouwelijke waterschapsbestuurders. Deze open interviews geven inzicht in de gedachten, gevoelens en opvattingen van de vrouwen. Hieruit zal blijken of waterschapsvrouwen barrières hebben ondervonden en zo ja, welke barrières vrouwen hebben ondervonden in hun ontwikkeling naar de huidige positie in het waterschapsbestuur. Door de ongestructureerdheid van de interviews is het mogelijk dat er punten naar voren komen die niet verwacht worden. De respondenten zijn vijf vrouwen uit twee waterschapsbesturen (uit dagelijks en algemeen bestuur). Tijdens het interviewen is het van belang oog te houden voor de relevantie, validiteit, duidelijkheid en volledigheid van de antwoorden van de respondenten. De vraag die aan de respondenten gesteld zal worden is: hoe bent u op deze positie in het waterschapsbestuur terechtgekomen en wat voor barrières hebt u daarbij ondervonden?Na het houden en uitwerken van de vijf interviews, is de volgende stap de analyse. In dit onderdeel zullen de interviews geanalyseerd worden. De manier van analyse is de eclectische uitwerking. Hierbij worden de levensverhalen van de waterschapsvrouwen gebruikt door er concrete uitspraken of ervaringen uit te filteren en die te verbinden aan de theorie. De loopbaanverhalen die de vrouwen vertellen, worden in stukjes opgedeeld om op die manier generaliserende uitspraken te kunnen doen (Aalten en Morée, 1994: 505-506). De generaliserende uitspraken kunnen een antwoord geven op de subvraag, en de onderzoeksvraag.Na de analyse volgt een conclusie. Hierin wordt de analyse samengevat en worden antwoorden op de onderzoeksvragen geformuleerd. De conclusie wordt afgesloten met een aantal aanbevelingen.

2 Analyse

2.1 Rationele keuze benadering

Om de theorie van Sanders (1996: 286-295) over de normatieve context te kunnen gebruiken, is het van belang om eerst stil te staan bij de rationele keuze benadering. Is het wel zo dat de respondenten in dit onderzoek echt op een rationele manier keuzes maken? Dit lijkt wel zo te zijn. De vrouwen hebben allemaal momenten gehad waarop ze moesten kiezen. Na wikken en wegen kwamen de vrouwen dan tot een beslissing. Een goed voorbeeld hiervan komt van één van de respondenten. Zij werd gevraagd als kandidaat voor de waterschapsverkiezingen van 2008 en geeft hierbij aan dat ze zichzelf afvroeg of ze dit wel kon en wilde. Meerdere vrouwen geven aan dat naast allerlei rationele argumenten ook gevoel een punt van afweging is. Één van de respondenten gaf hier een goed voorbeeld van: “Toen de eerste geboren was, kon ik het bijna niet over m’n hart verkrijgen om haar bij een ander achter te laten”. Zij geeft eerder in het interview aan dat er genoeg (financiële) middelen waren om een oppas te regelen, maar blijkbaar speelt gevoel hier een grotere rol. De aanvulling die Simon (1997: 18-119) doet op het gebruik van de rationele keuze theorie is bounded rationality. Turkenburg (1996: 309-312) meent, als uitbreiding op het idee van bounded rationality, dat vrouwen het (voltijds) zorgen voor hun gezin als belangrijke waarde zien en dat dit ze zou kunnen beperken in de keuze voor een carrière. Dit is bij bijna alle respondenten te herkennen. Meerdere vrouwen geven aan dat als zij op carrièregebied iets lieten liggen, dat dit door hun eigen gedachten kwam en niet door de omgeving. Sterker nog, meestal werkte de omgeving juist stimulerend. Één van de geïnterviewde waterschapsvrouwen is bijvoorbeeld door haar fractie naar voren gedragen voor een plek in het dagelijks bestuur, een andere respondent werd gevraagd om deel te nemen aan de waterschapsverkiezingen.

2.2 Psychologische factoren als beperking

Een aanname van de rationele keuze benadering is dat mensen keuzes moeten maken omdat zij te maken hebben met beperkingen. Sanders (1996: 286-289) noemt beperkingen vanuit de sociologische en de economische invalshoek. Fischer’s (1996: 296) kritiek hierop is dat de beperkingen vanuit de psychologische invalshoek niet genoemd worden. Uit de interviews is gebleken dat deze kritiek te rechtvaardigen is, er spelen zeker psychologische factoren mee bij de keuzemomenten en die zouden dus in de theorie opgenomen moeten zijn. Eén van de geïnterviewde vrouwen concludeert bijvoorbeeld dat veel vrouwen geneigd zijn om verantwoordelijkheden naar zich toe te trekken en dat vrouwen meer last hebben van schuldgevoelens. Er is geen bewijs dat dit inderdaad voor alle vrouwen geldt, maar blijkbaar heeft de betreffende respondent dit wel als een beperking gevoeld, of zij heeft dit gezien in haar naaste omgeving. Een tweede voorbeeld van een psychologische factor kwam naar voren bij een ander interview. Deze waterschapsbestuurder gaf aan dat ze erg extrovert is en dat dit ongebruikelijk is bij de waterschappen. Zij denkt dat ze hierdoor anders is dan de andere waterschapsbestuurders. Dit verschil komt echter niet voort uit een verschil tussen mannen en vrouwen, maar het is een persoonlijke eigenschap; psychologische factoren spelen mee. Bij de rationele keuze benadering mogen psychologische factoren als beperking niet overgeslagen worden.

2.3 Algemene en instrumentele doelen

2.3.1 Fysiek welzijn

Sanders (1996: 287-289) stelt dat individuen algemene doelen willen behalen. Het eerste algemene doel is fysiek welzijn. Instrumentele doelen hiervan zijn: stimulatie, comfort, inkomen en vrij besteedbare tijd. Stimulatie wordt door geen van de vrouwen als doel voor hun keuzes gezien. Wel hebben de vrouwen allerlei aanbiedingen gekregen. Een dergelijk aanbod werkt als stimulans om over een mogelijkheid na te denken en is vaak ook de aanzet tot het maken van een keuze in die richting. Een voorbeeld komt van één van de respondenten, zij werd op een bepaald moment gevraagd om zich kandidaat te stellen voor de Gemeenteraad en heeft dat toen ook gedaan. Drie van de vrouwen zeiden dat ze zich prettig voelen bij het werken met mannen. Dat zij zich hierbij prettig voelen geeft aan dat comfort een doel kan zijn. Eén van de vrouwen vertelde dat zij zich wel onzeker voelde tussen allerlei ervaren mensen. Dit oncomfortabele gevoel zou een beperking kunnen zijn voor vrouwen die overwegen om het waterschapsbestuur in te gaan. Beide voorbeelden geven aan dat comfort belangrijk is bij de afweging om te kiezen voor het waterschapsbestuur. Inkomen is bij de interviews nauwelijks ter sprake gekomen, het vermoeden is dat dit voor de geïnterviewde vrouwen niet of nauwelijks een rol speelt. Één van de vrouwen gaf echter aan dat haar man een goed inkomen had en dat ze het zich daarom wel kon veroorloven om tijd aan het waterschapsbestuur te besteden. Het hebben van vrij besteedbare tijd is voor de respondenten geen doel op zich, maar wel een kans om hun andere doelen te bereiken. Één respondent meent dat het inleveren van (eigen) tijd nodig is voor de bestuursfunctie die zij bij het waterschap vervult. Samenvattend is alleen comfort een mogelijk doel voor vrouwen. Inkomen lijkt helemaal niet belangrijk, maar een kanttekening is wel dat er genoeg inkomen moet zijn om de (financiële) ruimte te hebben om voor het waterschapsbestuur te kiezen. Stimulatie en vrij besteedbare tijd zijn voor de vrouwen ook middelen om hun doel te bereiken. Fysiek welzijn als doel lijkt meer een bijzaak te zijn voor de vrouwen die gekozen hebben voor een plaats in het waterschapsbestuur.

2.3.2 Sociale waardering

Een ander algemeen doel is sociale waardering. Volgens Sanders (1996: 187-189) bestaat dit uit status, gedragsbevestiging en affectie. Het idee is dat, omdat status niet voor iedereen makkelijk te verkrijgen is en gedragsbevestiging en affectie wel, mensen die veel moeite moeten doen om status te verkrijgen eerder kiezen voor het bereiken van gedragsbevestiging of affectie. Dit is immers een makkelijkere en snellere manier om sociale waardering te bereiken dan via status. Op gedragsbevestiging wordt in de volgende paragraaf verder ingegaan, maar de algemene indruk uit de interviews is dat de vrouwen vooral status en gedragsbevestiging belangrijk vinden. Over affectie spreken zij niet, zij zien dit niet als één van hun doelen. Misschien is het krijgen van affectie (bijvoorbeeld uit het gezin) wel een vanzelfsprekendheid. De geïnterviewde vrouwen laten merken dat zij trots zijn op wat ze bereikt hebben, op hun status. Tegen één van de respondenten is gezegd ‘dat het haar niet zou lukken’, en nu is ze erg trots dat het haar wel gelukt is om in het bestuur van het waterschap te komen. Een andere respondent vindt dat vrouwen op verschillende manieren status kunnen verkrijgen. Haar idee is dat als vrouwen werken ze daar status aan ontlenen en dat als vrouwen huisvrouw zijn, ze status ontlenen aan het zorgen voor hun gezin. Sociale waardering, en dan vooral status, is dus een belangrijk doel voor de geïnterviewde waterschapsbestuurders. De vraag is of de genoemde doelen hetzelfde zijn voor alle vrouwen. Aerts en Saharso (1994: 15-17) geven aan dat vrouwen verschillend zijn en dat dit niet vergeten moet worden bij het bestuderen van sekseverschillen. Omdat de antwoorden van de respondenten overeenkomen, is de aanname dat deze conclusies gegeneraliseerd kunnen worden voor alle vrouwen. Dit zou betekenen dat vrouwen zich bij het maken van keuzes niet zozeer laten leiden door fysiek welzijn (hooguit door comfort), maar vooral door sociale waardering, waarbij affectie het minst belangrijk is. Maar er moet rekening meegehouden worden dat dit in het algemeen zo is, er kan altijd een vrouw zijn die hier van afwijkt. Zoals één van de respondenten al aangeeft: het gaat ook om persoonlijkheidsvariatie.

2.4 Gedragsbevestiging

2.4.1 Normatieve context

Sanders (1996: 289-291) koppelt aan gedragsbevestiging de normatieve context. Maar zijn normatieve verwachtingen en normatieve bagage ook echt beperkingen voor vrouwen bij hun keuze voor het waterschapsbestuur? Eén van de respondenten geeft aan dat haar moeder, wanneer zij uit school kwam, met een kopje thee op haar zat te wachten, terwijl zij zelf nu niet zo traditioneel met haar gezin bezig is. De eigen normatieve bagage lijkt niet bepalend te zijn. Maar een opvallend punt is dat twee vrouwen zeiden dat hun partners wel een bepaalde bagage hebben. De mannen kennen vanuit hun opvoeding alleen het beeld dat de man buitenshuis werkt en dat de vrouw zorgt voor het gezin en het huishouden. Het lijkt erop dat vrouwen zich niet laten beperken door hun eigen normatieve bagage, maar wel door de normatieve bagage en daarbij horende verwachtingen van hun partner. Toch gaven alle vrouwen te kennen dat zij de volledige steun van hun partners hebben. Soms moesten ze wel om zijn bijdrage vragen, of “een poot stijf houden”. Één van de geïnterviewde vrouwen vindt dat mannen niet goed snappen wat hun taken zouden moeten zijn. De mannen gaan er volgens haar vanuit dat de vrouw zorgt voor het huishouden en het gezin. Omdat vrouwen ook zijn gaan werken, hebben zij het dus drukker gekregen. Na de campagne: “een slimme meid is op haar toekomst voorbereid” stelt zij nu de campagne “een echte vent strijkt zijn eigen overhemd” voor. De taken worden beter verdeeld als mannen leren dat ze ook taken in het huishouden en voor het gezin gaan oppakken. De iets oudere respondenten hebben in het begin van hun loopbaan meegemaakt dat mannen andere verwachtingen van ze hadden. Ze moesten het recht op een baan buitenshuis (na het trouwen of het krijgen van kinderen) bevechten. Zoals de respondent die aangeeft dat toen zij haar eerste kind kreeg het zwangerschapsverlof net verlengd was en dat hier schande over gesproken werd. Toen zij het idee had dat ze meer tijd nodig had, durfde ze hier niet om te vragen en is ze helemaal gestopt met werken. Hiervan zijn echter geen recente voorbeelden gegeven, de normatieve verwachtingen en bagage spelen nu veel minder een rol. De normatieve context is een belangrijke beperking geweest, maar de invloed hiervan wordt steeds kleiner. De partner en zijn normatieve bagage en verwachtingen zijn echter wel beperkend bij de keuzes die de vrouwen gemaakt hebben.

2.4.2 Rolverplichtingen

Een andere term die ook aan gedragsbevestiging gekoppeld kan worden is rolverplichting. Deze term komt van Bekker (1995: 403). Dit begrip betekent dat bij een rol bepaalde verplichtingen horen. Het vervullen van meerdere rollen kan ervoor zorgen dat de verplichtingen met elkaar in conflict raken. Alle respondenten geven aan dat er bepaalde verplichtingen zijn waaraan zij moeten voldoen. Soms valt het ze zwaar om deze verplichtingen te kunnen vervullen. Uit de interviews blijkt dat het zeker met een jong gezin niet meevalt om de verplichtingen te vervullen. Alle geïnterviewde vrouwen hebben te maken met work-family strains. De spillover stress kwam duidelijk naar voren. Eén vrouw vertelde hoe zij gauw haar kinderen eten moest geven, ze op bed moest leggen, de babyfoon naar de buurvrouw bracht en zich dan moest haasten om op tijd bij een vergadering van het waterschap te komen. De spillover strain (de meer subjectieve spanning) is minder eenvoudig te herkennen. De respondenten willen niet toe geven dat zij het als zwaar ervaren hebben, maar komen wel met voorbeelden naar voren die daarop duiden. Bijvoorbeeld de uitspraak dat je met werk en kind “tien schoteltjes in de lucht probeert te houden”. Deze respondent geeft aan dat ze heel veel voldoening uit het bestuurswerk haalt en dat ze het combineren van het werk met een gezin een uitdaging vindt. Maar uit de uitspraak blijkt toch dat er een bepaalde spanning bij komt kijken om alles goed te laten verlopen. Ook concluderen de vrouwen dat zij (en andere vrouwen in hun naaste omgeving) verantwoordelijkheden op het werk, in het bestuur en voornamelijk in het gezin meer naar zich toetrekken. Dit is een bron van stress, vrouwen hebben het druk en hebben weinig tijd om er dingen bij te gaan doen (zoals een bestuursfunctie bij het waterschap). Blijkbaar trekken vrouwen zich de rolverplichtingen heel erg aan, zij willen die verplichtingen allemaal goed vervullen en dit is niet altijd mogelijk wanneer een vrouw meerdere rollen tegelijk op zich neemt. Kortom, de normatieve context is een beperking geweest, maar die barrière wordt in de loop der tijd steeds kleiner. Uitgezonderd de normatieve verwachtingen van de partner, dat is wel erg belangrijk. De rolverplichtingen en de verantwoordelijkheden die daarbij horen, kunnen volgens, zo blijkt uit de interviews, ook beperkingen zijn.

2.5 Binding

Al met al zijn er veel barrières die vrouwen moeten overwinnen om in een waterschapsbestuur te komen. Eén van de respondenten merkte op “dat je het dan wel heel graag moet willen”. Hiermee doelt zij erop dat je dan ook echt iets voor de materie moet voelen. En hierbij zijn de verschillen tussen vrouwen van belang. Erts en Schaars (1994: 15-17) geven aan dat een groep vrouwen die zich onderscheid van andere vrouwen de groep boerenvrouwen is. In de interviews is meerdere malen duidelijk geworden dat vooral op het platteland er nog een binding is met de waterschappen, in de steden “leeft het niet zo erg”. Ook hadden twee van de geïnterviewde vrouwen iets te maken met het boerenleven. Blijkbaar kan een binding met het boerenleven leiden tot een interesse in de waterschappen. De binding met een waterschap kan ook ontstaan uit interesse in water. Eén van de respondenten is hier een uitzondering op. Zij had geen specifieke interesse in water of een link met het boeren leven, maar vindt vooral het bestuurlijke aspect erg aantrekkelijk. Interesse in besturen in het algemeen kan dus ook een drijfveer zijn.

2.6 Praktische problemen en voordelen voor vrouwen

Beperkingen die niet door de theorie gedekt worden, zijn de meer praktische problemen. Zo geven de respondenten aan dat er nog heel veel te winnen valt op het terrein van verlof (niet alleen zwangerschapsverlof, maar ook ouderschapsverlof). Ook problemen met kinderopvang kunnen een barrière vormen. Dergelijke voorzieningen voor werkende ouders worden wel beter, maar in bijvoorbeeld Scandinavië zijn deze zaken nog beter geregeld (volgens één van de respondenten). Maar er moet niet uitgevlakt worden dat vrouwen ook een aantal voordelen hebben ervaren. Binnen politieke partijen en binnen besturen zijn vrouwen gewild. Zo maakte één van de respondenten gebruik van het feit dat een dagelijks bestuur zonder vrouw niet meer gewenst was. Dit soort voordelen voor vrouwen maken het eenvoudiger om op een dergelijke plek terecht te komen. Het is opvallend dat ondanks deze voordelen er niet veel vrouwen in de waterschapsbesturen te vinden zijn.                                                        

3 Conclusie

3.1 Samenvatting analyse

De rationele keuze benadering is van toepassing. Gevoel was vaak één van de factoren die meewoog bij het maken van een keuze. Bovendien hadden de vrouwen te maken met begrensde rationaliteit, ze vonden zorgen voor hun gezin heel belangrijk en gaven daar in sommige gevallen andere dingen voor op, dit was een beperking. Tot hier klopt theorie van Sanders (1996: 286-295), maar gevoel moet niet uitgevlakt worden als factor bij het maken van een keuze. Het idee van bounded rationality (Simon, 1997: 118-119) moet ook serieus genomen worden. Psychologische factoren zijn (naast economische en sociologische opvattingen) ook van belang. Het gaat hierbij onder andere om verantwoordelijkheidsgevoel, schuldgevoelens en extrovert zijn. De kritiek van Fischer (1996: 296) is terecht, psychologische factoren ontbreken onterecht in de theorie van Sanders (1996: 286-295). Stimulatie, inkomen en vrij besteedbare tijd zijn vooral middelen voor de geïnterviewde vrouwen. Comfort kan wel een doel zijn. Fysiek welzijn lijkt dus niet een doel op zich te zijn. Sociale waardering is wel erg belangrijk. Vooral gedragsbevestiging en status. Status is op verschillende manieren te bereiken voor vrouwen. Affectie is niet zo belangrijk, of het wordt als een vanzelfsprekendheid gezien. Er moet rekening gehouden worden met de verschillen tussen vrouwen, de persoonlijkheidsvariatie. De theorie van Sanders (1996: 286-295) is op dit vlak een goed handvat, hoewel sociale waardering veel belangrijker lijkt te zijn dan fysiek welzijn. Bovendien is het niet zo dat het streven status vervangen wordt door het streven affectie en gedragsbevestiging, omdat vrouwen op verschillende manieren status kunnen krijgen. De eigen normatieve bagage was voor de geïnterviewde vrouwen niet bepalend, normatieve bagage en verwachtingen van de partner daarentegen wel. Normatieve verwachtingen van de omgeving waren jaren geleden heel belangrijk, maar die invloed wordt steeds kleiner. De theorie van Sanders (1996: 286-295) wordt nauwelijks ondersteund door de interviews, alleen de normatieve context die door de partner gecreëerd wordt is van belang. De rolverplichtingen (Bekker, 1995: 403) zijn wel belangrijk. De respondenten hebben allemaal hun verplichtingen gevoeld en spanningen tussen de verschillende rolverplichtingen gevoeld. De work-family strains hebben een grote rol gespeeld bij het maken van keuzes. Omdat vrouwen de verplichtingen erg naar zicht toe trekken, lijken zij hier meer last van te hebben dan de mannen. Sanders (1996: 286-295) krijgt met haar theorie over de normatieve context dus geen gelijk. Uit de interviews blijkt dat de rolverplichtingen veel meer van invloed zijn. Met al deze beperkingen kunnen we concluderen dat vrouwen het dan wel erg graag moeten willen om in een waterschapsbestuur te gaan. Ze moeten een bepaalde binding met de materie hebben. Deze binding of interesse is vaak gerelateerd aan de persoonlijkheid. Ook zou het kunnen dat de binding met een waterschap gerelateerd is aan de binding die de persoon heeft met het boerenleven. Kinderopvang en verlof zijn vlakken waar nog veel te halen valt. Voor de vrouwen zijn dit obstakels om zich te ontwikkelen in hun loopbaan. Toch heeft een vrouw nu ook voordelen, een bestuur zonder vrouwen is bijvoorbeeld niet meer gewenst en dit kan kansen bieden.

3.2 Antwoord op deel- en hoofdvraag

3.2.1 Welke barrières hebben vrouwen in waterschapsbesturen moeten overwinnen om op die positie te komen?

De vrouwen in de waterschapsbesturen hebben meerdere barrières genoemd. Zo hebben zij te maken gehad met hun eigen gevoelens en het belang dat zij toekennen aan het (voltijds) zorgen voor het gezin. Ook allerlei psychologische factoren of persoonlijke kenmerken hebben meegespeeld. Wat betreft de normatieve context, is alleen die van de partner belangrijk. De normatieve context die door de rest van de sociale omgeving geschapen wordt, is niet zo relevant. Maar de belangrijkste beperkingen zijn voor vrouwen de rolverplichtingen en de bijbehorende work-family strains. De verplichtingen die bij de verschillende rollen horen, kunnen tot spanningen en conflicten leiden. Bovendien trekken vrouwen deze verplichtingen meer naar zich toe dan mannen.

3.2.2 Waarom zijn er zo weinig vrouwen in de waterschapsbesturen?

De hierboven genoemde conclusies kunnen gegeneraliseerd worden naar vrouwen die geen waterschapsbestuurders zijn, omdat het niet gaat om een willekeurig verschil tussen mensen (mannen zijn er immers wel genoeg), maar om een specifiek sekseverschil. Bovendien zijn de respondenten geen uitzonderingen, zij passen goed in het beeld dat door de vrouwenliteratuur geschetst wordt over deze problematiek. Ook zien de vrouwen zichzelf niet als uitzondering. Kortom, er zijn zo weinig vrouwen in de waterschapsbesturen omdat vrouwen zich laten leiden door gevoelens en omdat zij het belangrijk vinden om voor hun gezin te zorgen. Ook spelen psychologische factoren mee. Bovendien kan de partner een bepaalde normatieve context creëren die niet stimulerend is. Als de partner vindt dat de vrouw voor het gezin en het huishouden moet zorgen, dan is dit een obstakel om als vrouw ook nog een waterschapsbestuur in te gaan. Mijn vermoeden is dat dit in veel gevallen zo is, bewust of onbewust. De functie van waterschapsbestuurder brengt nieuwe rolverplichtingen met zich mee en dit kan tot spillover stress en spillover strain leiden, in combinatie met de al bestaande rolverplichtingen die gezin en huishouden met zich mee brengen. Naar mijn mening is dit de belangrijkste beperking waardoor vrouwen zich tegen laten houden. Maar naast al deze hierboven genoemde beperkingen is er nog iets moeilijks aan waterschappen in het bijzonder. De materie moet persoonlijk aanspreken. En de materie leeft in het stedelijk gebied nauwelijks. Ook hebben niet veel mensen een persoonlijke interesse in water. Vrouwen moeten dus naast het overwinnen van de beperkingen ook nog een binding hebben met water (door een interesse, of door bijvoorbeeld een boerenafkomst). En het gebrek aan deze binding met water is ook een zeer grote beperking.

3.3 Aanbevelingen

Ten eerste is op dit vlak meer onderzoek nodig. Niet alleen bij de waterschappen, maar ook in vele andere posities zitten weinig vrouwen. En dit is hoe dan ook opvallend te noemen in deze tijd van emancipatie. Rolverplichtingen en de normatieve verwachtingen en bagage van de partner zijn boeiende onderwerpen om mee verder te gaan. Bovendien moeten we misschien toch kiezen voor een nieuwe campagne: “een echte vent strijkt zijn eigen overhemd”. Als mannen meer verantwoordelijkheden en verplichtingen van het huishouden en het gezin naar zich toe trekken, is er voor vrouwen meer ruimte om zich te ontplooien en te kiezen voor bijvoorbeeld bestuursfuncties. Ten tweede moet ook de vraag gesteld worden of het wenselijk is om meer vrouwen in een bestuur te krijgen. En ten koste van wat? Als vrouwen zich niet laten beperken door financiële middelen, maar vooral door gevoelens, wat kunnen we hier dan aan veranderen? Tenslotte is er bij de waterschappen veel werk te verzetten. Als waterschappen een betere afspiegeling van de samenleving willen zijn, dan moeten ze vrouwen proberen te interesseren voor water. En dit geldt ook voor allerlei minderheidsgroepen in Nederland. Allochtonen en jongeren zijn niet of nauwelijks te vinden binnen waterschappen. Naar mijn mening moet het waterschap meer gaan leven binnen de hele samenleving. Zoals één van de respondenten het mooi omschreef: “Het waterschap is niet meer alleen een zaak van mannen, of een boerenzaak, er spelen nu veel meer afwegingen mee”. En wat mij betreft betekent dit niet dat er een bepaald percentage vrouwen in een waterschapsbestuur moet zitten, maar wel dat alle burgers in Nederland weten waar waterschappen voor staan en dat iedereen weet waar hij, of zij, voor gaat stemmen bij de eerstvolgende waterschapsverkiezingen.

Literatuur

-         Aalten, Anna en Marjolein Morée, ‘Tussen fascinatie en pretentie’, Tijdschrift voor Vrouwenstudies 15 (1994), pp. 491-506.

-         Aerts, Mieke en Sawitri Saharso, ‘Sekse als etniciteit’, Tijdschrift voor Vrouwenstudies 15 (1994), pp. 11-26.

-         Bekker, Marrie, ‘Werk en kinderen: dubbele belasting of een gezonde combinatie?’, Tijdschrift voor Vrouwenstudies 16 (1995), pp. 397-412.

-         Brouns, Margo, ‘Zin en onzin van de rationele-keuzetheorie’, Tijdschrift voor Vrouwenstudies 17 (1996), pp. 283-285.

-         Fischer, Agneta, ‘Hoe rationeel zij seksestereotiepe keuzen?’, Tijdschrift voor Vrouwenstudies 17 (1996), pp. 296-304.

-         Glasbergen, P. (1993), ‘Waterschappen en integraal waterbeheer’, in: J.C.N. Raadschelders en Th.A.J. Toonen (red.), Waterschappen in Nederland, Hilversum: Verloren, pp. 133-147.

-         Kuiper, Edith en Susan van Velzen, ‘Analyseren of mystificeren?’, Tijdschrift voor Vrouwenstudies 17 (1996), pp. 403-412.

-         Van Oosten, Nico, ‘De prijs van de macht’, Tijdschrift voor Vrouwenstudies 18 (1997), pp. 267-276.

-         Sanders, Karin, ‘De operationalisering van normatieve context.’, Tijdschrift voor Vrouwenstudies 17 (1996), pp. 286-295.

-         Simon, Herbert A. (1997), ‘Administrative behaviour’, New York: The Free Press.

-         Turkenburg, Monique, ‘Flirten met een spierballentheorie’, Tijdschrift voor Vrouwenstudies 17 (1996), pp. 305-313.

 

Bijlage

 



 

Figuur 1 Vrouwen in waterschapsbesturen 2008*

 

Waterschap

Aantal vrouwen in DB

Aantal leden AB

Aantal vrouwen in AB

Percentage vrouwen in AB (in procent)

Hollands Noorderkwartier

2 w.v. 1 dijkgraaf

40

9

22.5

Rijnland

1

36

11

30.6

Amstel Gooi en Vecht

2

30

10

33.3

Stichtse Rijnlanden

0

23

6

26.1

Schieland en Krimpenerwaard

1

36

4

11.1

Delfland

1

36

11

30.6

Hollandse Delta

1

36

6

16.7

Zeeuwse Eilanden

1

35

4

11.4

Brabantse Delta

1

45

5

11.1

Dommel

0

45

10

22.2

Aa en Maas

0

45

10

22.2

Peel en Maasvallei

0

31

4

12.9

Roer en Overmaas

0

31

7

22.6

Rivierenland

0

37

5

13.5

Vallei en Eem

0

30

4

13.3

Rijn en IJssel

1

30

6

20.0

Regge en Dinkel

0

30

6

20.0

Veluwe

1

30

3

10.0

Zuiderzeeland

1

26

7

26.9

Groot Salland

1

25

5

20.0

Velt en Vecht

0

22

1

4.5

Reest en Wieden

2 w.v. 1 dijkgraaf

25

5

20.0

Fryslan

1

31

6

19.4

Noorderzijlvest

0

31

4

12.9

Hunze en Aa's

1

31

5

16.1

Zeeuws-Vlaanderen

0

30

3

10.0

Gemiddelde

 

 

 

18.5

 


 

 

 

Figuur 2 Vrouwen in waterschapsbesturen 2010**

 

Waterschap

Aantal leden DB

Aantal vrouwen in DB

Aantal leden AB

Aantal vrouwen in AB

Percentage vrouwen in AB (in procent)

Hollands Noorderkwartier

6

1

32

4

12.5

Rijnland

6

1

27

6

22.2

Amstel Gooi en Vecht

6

1

31

8

25.8

Stichtse Rijnlanden

5

0

31

7

22.6

Schieland en Krimpenerwaard

5

1

30

4

13.3

Delfland

6

2

31

7

22.6

Hollandse Delta

6

0

31

7

22.6

Zeeuwse Eilanden

6

1

31

4

12.9

Brabantse Delta

6

1

31

4

12.9

Dommel

5

1

31

9

29.0

Aa en Maas

5

1

31

6

19.4

Peel en Maasvallei

5

0

24

1

4.2

Roer en Overmaas

6

0

26

5

19.2

Rivierenland

7

0

31

4

12.9

Vallei en Eem

6

3 w.v. 1 dijkgraaf

27

5

18.5

Rijn en IJssel

6

2

31

9

29.0

Regge en Dinkel

5

0

28

6

21.4

Veluwe

6

0

29

5

17.2

Zuiderzeeland

5

1

26

5

19.2

Groot Salland

5

0

27

6

22.2

Velt en Vecht

5

0

22

2

9.1

Reest en Wieden

5

1 w.v. 1 dijkgraaf

24

4

16.7

Fryslan

4

1

26

5

19.2

Noorderzijlvest

5

1

24

6

25.0

Hunze en Aa's

5

0

24

3

12.5

Gemiddelde

 

 

 

 

18.5

             

 


[1] www.waterlelienetwerk.nl

[2] http://www.nederlandsevrouwenraad.nl/html/index.php?paginaID=537

[3] http://www.nederlandsevrouwenraad.nl/html/index.php?alineaID=442

* http://www.nederlandsevrouwenraad.nl/html/index.php?alineaID=424, bezocht op 4 mei 2010.

** www.hhnk.nl/bestuur_en/bestuur, www.rijnland.net/bestuur, www.agv.nl/over_agv/het_bestuur, www.hdsr.nl/informatie/bestuur_en/bestuur, www.schielandenkrimpenerwaard.nl/bestuur, www.hhdelfland.nl/bestuur-organisatie/bestuur/, www.wshd.nl/bestuur, www.wze.nl/bestuur, www.brabantsedelta.nl/het_bestuur, www.dommel.nl/bestuur_organisatie/bestuur, www.aaenmaas.nl/bestuur

www.wpm.nl/bestuur, www.overmaas.nl/het_waterschap/bestuur_organisatie/het_bestuur

www.waterschaprivierenland.nl/ons_bestuur, www.wve.nl/bestuur_en/bestuur, www.org.nl/organisatie/bestuur, www.wrd.nl/bestuur, www.veluwe.nl/bestuur, www.zuiderzeeland.nl/ons_waterschap/bestuur, www.wgs.nl/informatie/bestuur, www.veltenvecht.nl/bestuur, www.reestenwieden.nl/bestuur_en/bestuur, www.wetterskipfryslan.nl/sjablonen/1/infotype/webpage/view.asp?objectID=985, www.noorderzijlvest.nl/bestuur en www.hunzeenaas.nl/Bestuur (allen bezocht op 4 mei 2010).

 

Paginafuncties

waterschapsbestuurder_logo.gif (12 Kb)
Naar boven